De Afro-Cubaanse wortels en de Mambo-boom
De wortels van Salsa liggen diep begraven in de geschiedenis van het Caribisch gebied. Cuba was in de 19e en het begin van de 20e eeuw een muzikaal laboratorium, waarin de spirituele, ritmische tradities van West-Afrika zich vermengden met de melodieën en instrumenten van de Spaanse kolonisten. In het centrum van deze ontwikkeling stonden de Afro-Cubaanse ritmes, met name de Son Cubano. De Son verenigde de Afrikaanse vraag-en-antwoordzang en de dragende Clave-ritmiek met de Spaanse gitaar. Het vormde het fundament waarop later alles zou worden gebouwd. Wie vandaag op een dansfeest naar de maat zoekt, grijpt onbewust terug op deze eeuwenoude structuren. Een dieper begrip van deze ritmes helpt enorm om de maat te herkennen in de dansmuziek en je volledig over te geven aan het gevoel.
Naast de Son was het vooral de Mambo die het tijdperk vóór de grote Salsa-boom vormgaf. In de jaren 40 en 50 brachten orkestleiders zoals Perez Prado en Beny Moré de zalen in Havana en al snel ook in New York aan het koken. De Mambo was wild, snel en werd gekenmerkt door jazzy blazerssecties. Het legde de lat voor wat dansbare Latijns-Amerikaanse muziek moest presteren extreem hoog. Tegelijkertijd ontwikkelde zich de Cha-Cha-Cha, die met zijn iets tragere tempo het grote publiek aansprak. Al deze stijlen reisden mee in de bagage van de migranten die op zoek naar een beter leven hun thuisland verlieten en hun muzikale schatten naar de metropolen van Noord-Amerika brachten.


