De Bachata oorsprong ligt in de landelijke regio's van de Dominicaanse Republiek in de jaren 60. Na het einde van de Trujillo-dictatuur ontwikkelde zich een nieuwe muzikale uitdrukkingsvorm, die aanvankelijk sterk werd gestigmatiseerd. De term Bachata stond oorspronkelijk voor een informeel, luidruchtig feest in de achtertuin en werd door de stedelijke elite lange tijd denigrerend gebruikt. De muziek werd als vulgair beschouwd, als een uiting van de arbeidersklasse en de landelijke migranten in de sloppenwijken van Santo Domingo.
Deze vroege fase heeft de Bachata geschiedenis diepgaand gevormd. De songteksten gingen over liefdesverdriet, armoede, bedrog en melancholie, waardoor de muziek ook bekend stond als Amargue, de muziek van de bitterheid. De instrumentatie was eenvoudig, vaak gedomineerd door akoestische gitaren, maraca's en de bongo. Pas in de jaren 80 en 90, mede door het internationale succes van de muzikant Juan Luis Guerra, kreeg de stijl maatschappelijke erkenning en ontwikkelde deze zich van verguisd kroeglied tot trots nationaal cultureel erfgoed.