De stand creëert ruimte voor voetenwerk
De Flamencohouding oogt rechtop, maar is niet stijf. Je hoofd blijft boven je romp, je borstkas zakt niet in en wordt ook niet overdreven naar voren geduwd. Je bekken blijft zo neutraal mogelijk en je knieën zijn licht gebogen. Zo kan je lichaam kleine bewegingen opvangen, zonder dat je elke voetstamp met je hele bovenlichaam hoeft te begeleiden.
Bij Flamencobasispassen is het belangrijk welk been op dat moment je gewicht draagt. Tijdens de gewichtsverplaatsing verplaatst je lichaamszwaartepunt zich boven je nieuwe standbeen. Pas daardoor komt je andere voet vrij voor een stap of stamp. Een opgetilde voet bewijst nog niet dat de gewichtsverplaatsing goed is uitgevoerd: als je daarvoor je heup optrekt of opzij kantelt, ontbreekt een stabiele ondersteuning.
Je knieën blijven beweeglijk, in plaats van bij elke stamp door te strekken. De buiging is klein en functioneel, geen diepe kniebuiging. Overmatig deinen kost controle en verandert de hoogte van je stamp.
Een zinvolle oefenvolgorde begint daarom met rustig staan, langzame gewichtsverplaatsingen en kleine stappen. Pas daarna voeg je hoorbare contacten toe. Een dansspiegel voor thuis kan zichtbaar maken dat je opzij wijkt. Richt je blik echter niet voortdurend op je spiegelbeeld: ook zonder die feedback moet je stand begrijpelijk blijven.


