Van verguisde boerendans tot keizerlijk hofbal
Voordat de Weense wals de prachtige zalen van de hogere kringen veroverde, werd deze beschouwd als een morele zondeval. De oorsprong van de wals ligt niet in het hofceremonieel, maar in de landelijke regio's van de Alpen. Eenvoudige boeren dansten in de 18e eeuw de 'Ländler' of 'Weller', waarbij de paren elkaar ongewoon dicht omhelsden en in het rond draaiden. Voor de toenmalige hogere klasse, die gewend was aan de afstandelijke, streng gechoreografeerde dansen zoals het menuet, werkte deze ongebreidelde dynamiek ronduit bedreigend. Medici waarschuwden voor een circulatie-instorting door het snelle draaien, en zedenmeesters voorzagen de ondergang van het avondland omdat de lichamen van de dansers elkaar aanraakten.
De definitieve doorbraak van de dans is onlosmakelijk verbonden met een grote historische gebeurtenis. Toen het congres van Wenen dans in het jaar 1815 de politieke kaart van Europa opnieuw indeelde, werd Wenen het epicentrum van diplomatie en vermaak. Onder het beroemde motto 'Het congres danst, maar het beweegt niet' wervelden staatslieden en edellieden plotseling in driekwartsmaat over de dansvloer. Dit politieke podium maakte de geschiedenis van de Weense wals tot een mondiaal fenomeen. De voormalige rebellie van de straat was aangekomen aan het keizerlijk hof en legde de basis voor de moderne geschiedenis van de stijldans.
Het tijdperk van de Strauss-dynastie
De muzikale ridderslag kreeg de wals door de rivaliteit en het genie van twee componisten. Het duo Johann Strauss vader en zoon vormde de sound van de 19e eeuw als geen ander. Terwijl de vader de wals door precieze ritmes orkestreerde en salonfähig maakte, tilde de zoon deze naar een nieuw artistiek niveau. Met meesterwerken zoals 'An der schönen blauen Donau' creëerde Johann Strauss zoon hymnes die het tempo van tot wel 60 maten per minuut vierden. Hun orkesten toerden door heel Europa en maakten de meeslepende driekwartsmaat definitief tot onsterfelijk cultuurgoed.





